vrijdag 6 juli 2012



HISTORIE VAN HET GOOI, GOOIERS EN ERFGOOIERS 

Naarden 17 Nov. 1813-12 Mei 1814 DOOR C. J. A. KRUIJT.  ( 1913)

P 444 NAARDEN
Den 24e November was generaal Kraijenhoff aangesteld tot gouverneur van Amsterdam en omliggende forten en in de laatste dagen van die maand achtte hij de te zijner beschikking staande krachten sterk genoeg om Muiden en Weesp van de Franschen te zuiveren. Eerst wanneer deze sterkten in zijne handen waren kon hij met kans op goeden uitslag, zich tot Naarden wenden. Zonder veel krachtsinspanning werden de Franschen uit Muiden door de Russen verjaagd en toen eenige dagen daarna een parlementair, naar Naarden gezonden om de vesting op te eischen, aan de uiterste barriere afgewezen werd, was het Kraijenhoff duidelijk geworden, dat de vijand van geen onderhandelen wilde weten en dat nu in de eerste plaats eene insluiting dier vesting noodzakelijk was, om de omliggende plaatsen te vrij waren tegen strooperijen en geweld van de zijde der Fransche bezetting.
Het vijfhonderdjarig stadje Naarden, dat in den loop der tijden vele malen het geweld van den oorlog had moeten ondergaan, bevond zich in het begin van de 19e eeuw in een toestand van verval en armoede. In een verzoek van den burgemeester en gemeenteraadsleden aan den Souvereinen vorst om schadevergoeding wegens de vele vernielingen, branden, enz. gedurende het jongste beleg, vermeldt dit college o. m. dat de schuld van de gemeente in 1814 gestegen is tot circa f 100.000, voor dien tijd een vrij aanzienlijk bedrag op eene bevolking van niet veel meer dan 1800 zielen. (In 1807 bestond de bevolking niet veel meer dan 1800 zielen, waarvan ca. 33 % armlastig.) Als een der hoofd-

445: 17 Nov. 1813-12 MEI 1814.
oorzaken van dien schuldenlast werd opgegeven, de menigvuldige vorderingen van de wapenkorpsen, het in orde brengen, verbeteren en onderhouden van kazernes, hospitalen enz., aankoop van fournitures als anderszins, van of het jaar 1795.
In den loop van het jaar 1813 werd de maire C. De Wolf vervangen door den heer W. Poele, die in het bestuur zijner gemeente werd bijgestaan door den adjunct-maire Van Croogh en door een municipalen raad bestaande uit de heeren Ruighout, Dan, Coenders, Verkerk, Dielewijn, Bolten en Perk.
In het einde van November 1813 bestond het garnizoen van Naarden uit verschillende korpsen, waarvan in het hierbij gegeven staatje een overzicht to vinden is.

Korpsen. Sterkte. Commandant en officieren.
- 4e bataljon 4e regiment estrangers. ca. 300 Kolonel Falba en 15 officieren.
- 1 bataljon garde soldee. ca. 400 Kolonel Pfaffenrath.
- 1 bataljon nationale garde. ca. 400 Kolonel Henry.
- 1e en 3e compagnie veteranen. ca. 135  Lt.-kolonel Blanchet en 2 officieren.
- 4e compagnie pionniers. ca. 50 1 officier.
- 16e compagnie v/h 6e regt. art. ca. 80 Kapitein Bardinet en 2 officieren.
- 1 korps douanen. ca.  400 Lt.-kolonel Grandedier
-  1 korps douanen. ca. 300  Lt.-kolonel   Devilier   (en 81 officieren)  
- 2 compagnieen kustkanonniers.  ? Kapitein Kraaij.
- Gendarmerie. 6

In Naarden voerde reeds geruimen tijd het bevel de generaal Jaques baron Quetard de la Porte, om zijne militaire verdiensten door Napoleon bevorderd tot commandeur van het Legioen van eer. De maatregelen, door Kraijenhoff tegen. de vesting Naarden genomen, hebben een meer afwerend dan aanvallend karakter gedragen ; vandaar dat Quetard de la Porte niet in de gelegenheid geweest is, veel militaire talenten of groote geestkracht - zoo hij deze bezeten heeft - aan den dag te leggen, om zich in zijne veste te handhaven. De vele uitvallen, die toch alle volgens zijne bevelen zijn uitgevoerd, wijzen zeer zeker op een werkzamen, offensieven geest en niemand kan hem den lof ont- houden van te zijn geweest zeer verknocht aan zijn Keizer en  

446 NAARDEN.
standvastig in het bewaren van de hem toevertrouwde sterkte.
Als ondercommandant van de vesting heeft de kolonel van de genie Daulle eene voorname rol gespeeld , de kapitein der genie Lobry was aan hem toegevoegd. Kolonel Fromond was belast met het bevel over de artillerie.
De vorm van de vesting was ongeveer elliptisch. Hare grachten en muren werden door zes bastions bestreken. De poorten, ten getale van twee, waren gelegen : een aan de zijde van Amsterdam (Amsterdamsche poort) en de andere aan de zijde van Utrecht (Utrechtsche poort). Op de bastions bevonden zich gewapende batterijen met geschut van verschillend soort en kaliber, tot een totaal van 150 stukken. Onder en tegen de wallen waren ingericht : een hospitaal voor 100 a 150 zieken, en verschillende kazematten tot het onder dak brengen van een deel der bezetting. Op den toren van de Gereformeerde kerk was een seinpost opgesteld, onder den toren bevond zich de provoost voor het garnizoen. Het koor en de beide kruiseinden waren ingericht tot magazijnen , het andere deel van de kerk had zijne oorspronkelijke bestemming behouden , regelmatig werd de dienst daarin verricht door den predikant Wiegman. De hoofdwacht bevond zich in het stadhuis , de kamers daarvan waren ingericht tot wachtlokalen, de kelder werd voor arrestantenhok gebezigd. De stadswaag - bekend door den moord in 1572 - werd in 1813 gebezigd als verbruiksmagazijn, het weeshuis en de manege deden dienst als kazernes 1), evenals de huizen, Welke door de burgers uit vrees voor bombardement verlaten waren. Het diaconiehuis werd ingericht tot ziekenverblijf; tijdens het bombardement werden de zieken ondergebracht in het hiervoren genoemde hospitaal onder den wal.
Onder de poorten was voor den commandant en de hoofdofficieren bomvrij logies ingericht. Dit logies werd betrokken, zoodra de vesting beschoten werd. De Fransche kerk werd tijdens het beleg gebruikt tot bewaarplaats van de gevangenen, die van tijd tot tijd binnen de vesting werden gebracht.
 1) Bovendien waren bij de wallen kazematten gebouwd, tot logies voor een deel van het garnizoen. Zie de reproductie naar de teekening van P. G. Van Os, voorstellende: ?de Kazematten to Naarden"

 447: 17 NOV. 1813-12 MEI 1814.
Van de woonhuizen, die doorloopend genummerd waren van 1 tot en met 483, waren er 139 verlaten.
Den 29e November gelastte de vestingcommandant aan den maire eene telling te houden van de inwoners, met opgave, voor ieder afzonderlijk, van den tijd gedurende welken zij uit eigen voorraden in hunne behoeften konden voorzien. Uit dit onderzoek bleek, dat slechts 72 gezinnen voor 6 maanden van vivres waren voorzien; de overige 292 gezinnen beschikten over weinig of niets. In de vesting bevond zich een hoeveelheid proviand  berekend voor 1000 man gedurende 90 dagen. Veevoeder was er voldoende aanwezig ; bovendien werd de voorraad aangevuld door fourageering in de buitenplaatsen en boerderijen in den omtrek.
Reeds in de laatste dagen van November waren afdeelingen Kozakken in het Gooiland verspreid  1) doch deze troepen konden door verschillende omstandigheden niet afdoende zorgdragen voor de veiligheid van Naarden's omgeving. Hun verblijf was ook slechts van tijdelijken aard. Toen in het begin van December de Russische generaal zijn voornemen had te kennen gegeven de Kozakken in de omgeving van Amsterdam samen te trekken en zuidwaarts te doen marcheeren, gaf de Souvereine Vorst bevel, dat zooveel manschappen als maar doenlijk zou zijn uit de binnen Amsterdam georganiseerde vrijwilligers zouden vereenigd worden, om met de disponibele manschappen van de zeemacht de vesting Naarden te blokkeeren, en het bevel over het blokkade-korps op te dragen aan een actief en intelligent kolonel. Daar in dien tijd van eene geregelde insluiting van Naarden door voetvolk nog geen sprake kon zijn, konden de Kozakken moeielijk gemist worden, waarom generaal Kraijenhoff dringend vorst Gagarin, een der commandanten van de Kozakkenkorpsen, verzocht nog eenige dagen voor Naarden te blijven. Dit verzoek werd ingewilligd, waaraan intusschen het nadeel verbonden was, dat die Russische hulptroepen veel kostten aan de gemeenten, waar zij gehuisvest waren, zoodat deze al spoedig uitgeput raakten.
In Amsterdam werden nu zoo spoedig mogelijk troepen geor-
1) Zie de reproductie naar eene penteekening ,,Kozakkenpost voor Naarden" van P. G. Van Os.

 448 NAARDEN.
ganiseerd en marschvaardig gemaakt om de taak der Kozakken meer afdoende over te nemen.
Den 11e December vertrok van daar een detachement van 350 man, getrokken uit de 7 compagnieen van het nieuw opgerichte le bataljon infanterie van linie, onder luitenant-kolonel W. Griinebosch, benevens 30 man behoord hebbende tot de cavalerie der voormalige garde soldee, onder ritmeester Von Staedel, een compagnie artillerie en eindelijk een cohorte (bataljon) en een compagnie van de Amsterdamsche nationale garde. Commandant van dit detachement was kolonel Van den Bosch, aide-de-camp van generaal Kraijenhoff. De kapt.-ingenieur Van der Wyck was aan den detachements-commandant toegevoegd.
Toen Kraijenhoff tot gouverneur was benoemd, vond hij in Amsterdam niet veel meer dan de nationale garde, bestaande uit 4 bataljons, ieder van 4 compagnieen, ter gezamenlijke sterkte van 2100 hoofden. Een vijfde bataljon werd geheel uit vrijwilligers samengesteld. Ofschoon den 26e  December de nationale garde samengesteld. Ofschoon den 26e  December de nationale garde ontbonden werd, bleven - met het oog op de insluiting van Naarden - de Amsterdamsche bataljons onder de wapenen. Het aantal manschappen van die garde, die gedurende het beleg voor Naarden hebben dienst gedaan, bedraagt 901. De bataljons werden in het begin om de veertien dagen afgelost, later had die aflossing niet meer plaats.
Voorts heeft een te Amsterdam opgericht detachement burger-artillerie onder bevel van luitenant-kolonel A. Schippers, sterk 4 officieren en 50 minderen, een werkzaam aandeel aan het beleg genomen.
De kleeding liet in den aanvang veel te wenschen over, er was groot gebrek aan kapotjassen, een gemis, dat zich bij de heerschende koude ontzettend deed gevoelen en groote ontevredenheid veroorzaakte. Eerst tegen het einde van Januari waren de manschappen allen van dit kleedingstuk voorzien. Ook de betaling der soldijen ondervond in den beginne veel vertraging, zoo bijv. was aan het 2e bataljon, toen het reeds tweemaal veertien dagen op voorposten gelegen en gevochten had, nog geen penning uitbetaald.
Van den schout bij nacht Verdooren kreeg Kraijenhoff de beschikking over eenig scheepsgeschut, 600 geweren en 150 sabels.
449:
 17 NOV. 1813-12 MEI 1814.
Het bovenvermelde detachement marcheerde den 11e December naar Weesp, en den volgenden dag naar 's-Graveland, alwaar kolonel Van den Bosch voorloopig zijn hoofdkwartier vestigde.

Indeelingsoverzicht van het detachement.
Staf.
Commandant : kolonel J. Van den Bosch.
Aide-de-camp : kapitein F. Beckman.
Kapitein-ingenieur : F. J. Th. Van der Wijck.
Chir.-maj. : Beneker, met 4 sous-aides chirurgyns.
Commissaris van oorlog : de heer Ten Bosch.

Infanterie (350 man) :
1 bataljon infant. van linie. Commandant : luit.-kol. W. Grunebosch  (13 Febr. vervangen Von Staedel. door luit.-kol. R. Bruce).

Cavalerie ( 50 man)
Voormalige garde soldee. Commandant: ritmeester Von Staedel.

Artillerie :
1 compagnie.
2 veldstukken  a 3 pond.
18 onderoff. en manschappen.

Te 's-Graveland, waar het detachement vroegtijdig was aan- gekomen, stelde kolonel Van den Bosch zich in verbinding met den kolonel der Kozakken, Baranofski, en nam de voorloopige beschikkingen tot het blokkeeren van Naarden en tot beveiliging der omgelegen dorpen. Na eene verkenning, werden de verschillende te bezetten punten bepaald en de sterkte der daarvoor aan te wijzen afdeelingen. Dienzelfden dag bleef het geheele detachement te 's-Graveland, alwaar het ook nachtverblijf hield om den volgenden dag, 13 December, de verschillende posten te betrekken. Ten gevolge van de terreinverkenning bepaalde kolonel Van den Bosch dat de volgende punten bezet zouden worden :
1. Bussum met 120 man infanterie en 100 Kozakken.
2. Buitenplaats Craaylo met 100 man infanterie en 100 Kozakken.
3. Oud-Naarden met 80 man inf. en de Pruisische Uhlanen, die te Huizen gelegerd waren.

Het onderling verband tusschen deze posten werd bewerk-
Gedenkboek. II. 29  

450 NAARDEN.
stelligd door tusschenposten, geplaatst o.a. te Oud-Bussum, Leeuwenberg enz. Deze tusschenposten werden uitgezet van de posten te Bussum, Craaylo en Oud-Naarden.
De reserve was opgesteld te 's-Graveland, waarop desnoods alle posten zich moesten terugtrekken. In laatstgenoemde plaats vestigde kolonel Van den Bosch zijn hoofdkwartier.
De bataljons nat. garde, in reserve te Amsterdam, werden marschvaardig gehouden om zoo noodig te hulp te kunnen snellen. Dit gebeurde o.a. den  14e Februari bij een uitval van de Naardensche bezetting in de richting van Muiden, toen een bataljon nat. garde tot versterking naar Muiden uitrukte.
Tusschen de vesting Naarden en 's-Graveland lag aan de Karnemelksloot een retranchement, dat nog door de Franschen bezet was. Tot nauwere insluiting van de bezetting en tot meerdere beveiliging van de hoofdmacht te 's-Graveland, was het noodzakelijk meester te zijn van dit punt. Daarom rukte dan ook kolonel Van den Bosch reeds den 14e  December 's morgens om 6 uur uit, aan het hoofd van 180 man om het retranchement te nemen. Dit ging zonder slag of stoot, daar de vijand, zeer gering in getalsterkte, het reeds verlaten had. Niet in staat zijnde, het retranchement eene voldoende bezetting te geven, was kolonel Van den Bosch evenwel genoodzaakt het 's avonds weder te verlaten.
Daar door de geringe getalstrekte van het observatiekorps eene afdoende insluiting van Naarden niet te verkrijgen was, zond generaal Kraijenhoff den 17e December eene versterking van 250 man van het 2e en 3e bataijon van linie te Amsterdam ; terwij1 het korps landstorm, in het begin van December opgericht uit de bewoners van Naarden's omstreken, iederen dag in getalsterkte toenam, zoodat in het eind van die maand 1200 man, hoewel gebrekkig uitgerust en bewapend (gedeeltelijk met pieken en sabels) in staat waren, de geregelde troepen eenigen steun te verleenen 1).
Den  22e December meldde Kraijenhoff aan den comm. gen.

1) Zie de illustratie - de Landstorm van 's Graveland, kanton Loosdrecht, op den 19en Januari 1814 voor Naarden" naar eene penteekening van P. G. op den 19en Januari 1814 voor Naarden" naar eene penteekening van P. G. Van Os.

451 NAARDEN  
van oorlog dat het korps vrijwillege scherpschutters, het welk hij te Amsterdam had doen oprichten, reeds tot 150 man aangegroeid was en zich in de nabijheid van de vesting bevond. Commandant van dit korps was kapitein Rooseboom, ingedeelde officieren: luitenants Lidermooy, Booz en Nagel. Twee dagen later kwam, ter vervanging van de Kozakken, een veldeskader, 105 hoofden sterk, van het reginment dragonders, onder bevel van den majoor D.R. Bisdom, uit ‘sGravenhage voor Naarden aan.
In het laatst van December werd ook zorg gedragen voor vermeerdering van den artillerie-voorraad , door toezending van zeven kanonnen en twee houwitsers. Den 15e Januarie 1814  werden daaraan nog toegevoegd vier kanonnen a 6 pond, onder bevel van den kapitein Straube, welke vuurmonden te ’s Graveland in reserve werden gehouden.
De aangenomen versterkingen noopten kolonel Van den Bosch wijzigingen aan te brengen in de opstellingspunten en de bezettingen daarvan. Op 1 Januari waren opgesteld als hoofd-voorpost te Bussum 300 man infanterie, 35 man cavalerie en 2 stukken; terwijl rechts van de weg naar Naarden bij den uitgang van Bussum een batterij was aangelegd en bewapend  met 2 kanonnen van 6 P. Te Oud-Naarden waren 30 man infanterie gelegerd, met een ruggesteun van 100 infanteristen te Huizen. In Laren was eene bezetting van 100 man infanterie, terwijl 's-Graveland gehandhaafd bleef als standplaats der reserve, bestaande uit 400 man infanterie, 150 man cavalerie en 100 artilleristen.
De hoofdvoorpost Bussum werd naar 's vijands zijde gedekt door eene linie van voorposten van of de Karnemelksloot tot aan de Zuiderzee bij Oud-Naarden. Iedere voorpost had eene sterkte van ongeveer 30 man. Verder was op den Leeuwenberg een uitkijkpost van eenige boeren te paard geplaatst, om de verrichtingen van den vijand tijdig te kunnen waarnemen en berichten.
Bij het polderhuis van Ankeveen, bij de ophaalbrug van de Gooische heide, stonden 20 man landstorm, om den vijand te signaleeren, wanneer deze langs de Karnemelksloot op Anke- veen en 's-Graveland zou aanmarcheeren. De vesting Muiden had

 452 NAARDEN.
ter beveiliging voorposten in de richting van Naarden vooruit- geschoven to Muiderberg en aan het Hakkelaarshek.
De sterkte van het observatiekorps - schutterij en landstorm niet medegerekend -  kan bij het begin van 1814 gesteld worden ongeveer op 1000 man infanterie, 200 man cavalerie en 100 man artillerie tot de bediening van 4 kanonnen a 6 P.,  2 kanonnen a 3 P., 3 ijzeren kanonnen a 2 P.  en 2 houwitsers van  7 ½  duim.
Het jaargetijde liet niet toe, de afdeelingen, die om Naarden lagen, te laten bivakkeeren. Zij werden daarom bij de inwoners ingekwartierd, hetgeen dikwijls groote moeilijkheden opleverde.
In Bussum, dat in dien tijd uit een vijftigtal huizen bestond (waaronder 30 dagloonershuizen) moesten ongeveer 350 man onder dak gebracht worden. Neemt men hierbij in aanmerking dat dit dorpje in November en December 1813 door vele inkwar- tieringen zoo goed als uitgeput was, dan behoeft het geen betoog, dat dit onder dak brengen met voeding vele bezwaren met zich dat dit onder dak brengen met voeding vele bezwaren met zich bracht, ook omdat die afdeelingen op voorposten niet ver uit elkander konden gelegerd worden, daar zij, met het oog op uitvallen des vijands, verzameld en strijdvaardig moesten blijven.
Aanvankelijk had men bij de legering van de troepen to 's-Graveland eene ruimere kantonneering toegepast, doch de groote bezwaren van het verspreid liggen der troepen listen zich al spoedig gevoelen, waarom dan ook den 21e December de kapitein-ingenieur Van der Wijck een aanvang maakte met het bouwen van twee barakken van riet, ieder bestemd voor 300 man. Twee en drie weken na het begin der werkzaamheden zijn die barakken door de troepen betrokken.
Acht dagen na aankomst van het observatiekorps to 's-Graveland werd met de werkzaamheden der genie aangevangen. Deze bestonden in het maken van coupures in de wegen en het aanleggen van verhakkingen, batterijen en epaulementen. Van 21 December 1813 tot 10 Januari 1814 werd er regelmatig gewerkt door ploegen arbeiders, ter sterkte van 30-150 man ; er werden in dien tijd 61 coupures gemaakt met 15 verhakkingen. Na den 10e Januari moest de arbeid gestaakt worden, omdat de grond, door de felle vorst, te hard geworden was. De Karnemelksloot werd uitgeijsd en door middel van een trekschuit

453: 17 NOV. 1813-12 MEI 1814. 
opengehouden 1). Den 20e  en 21e Januari viel er geweldig veel sneeuw een der dragonders viel met zijn paard tot de keel toe in de sneeuw en werd eerst na 3 uur schreeuwens uit zijne netelige positie verlost. Tot het verzekeren van een behoorlijken voorpostendienst had de genie handen vol werk om het terrein eenigszins begaanbaar te makers en te houden.
In het Spiegel werd tot betere gemeenschap een voetpad aangelegd en in Maart werden batterijen voor zwaar geschut opgeworpen in de redoute aan de oostzijde van de Karnemelksloot. De redoute zelf werd in beteren staat van verdediging gebracht door verzwaring van de borstwering en het sluiten van de keel. Den 13en Maart waren de batterijen voor Bussum en achter Berghuis gereed. De officieren, met de tenuitvoerlegging van die werken belast, waren : de kapitein-ingenieur Van der Wijck en de luitenants Baud, Backer Seest en Vaillant.
Om de gemeenschap van Naarden met de dorpen in den omtrek te beletten (er werd een levendige handel gedreven) werd, tot het houden van eene goede politie in de omgeving der vesting, aangesteld de vrederechter van Muiden, de heer Trotz, aan wien, om hem volledig in staat te stellen zijn opdracht naar behooren nit te voeren, alle macht werd verleend, als bij de politiewetten was voorgeschreven. Aan alle autoriteiten werd voorts gelast den heer Trotz in zijne opgemelde qualiteit, des gerequireerd, de sterke hand te verleenen en alle politiebeambten, veld- en boschwachters werden gelast hem in zijne functie te gehoorzamen en te respecteeren.
De keuze voor deze belangrijke betrekking was op den beer Trotz gevallen, omdat hij bekend stond als een zeer actief man, die in zijne betrekking als vrederechter goed op de hoogte was van politiezaken en bekend met de inwoners van Naarden en omgeving. Hij kende bovendien gedurende twee jaren den vestingcommandant Quetard de la Porte, die volgens hem koningsgezind was, waarvoor hij als bewijs aanhaalt dat de familie La Porte geattacheerd was geweest aan het huis des konings van Frankrijk en de generaal zelf als jongeling gediend had in het korps gens
1) Zie de reproductien naar de schilderij ?Het Doorijzen der Karnemelk- sloot bij Naarden, in Januari 1814", van Pieter Van Os.

 454 NAARDEN.
du roi van Lodewijk XVI. Trotz begreep dan ook niet, waarom Quetard de la Porte zoo hardnekkig weigerde te capituleeren. De kolonels Daulle en Falba noemde hij ware chefs de brigands. 
De geregelde politiedienst, door Trotz georganiseerd en ten uitvoer gelegd, heeft alle verkeer tusschen Naarden en omgeving doen ophouden.
Van 8 December 1813 tot 15 Maart 1814 zijn er door de bezetting van Naarden 26 uitvallen gedaan, welke hoofdzakelijk ten doel hadden mondvoorraden, veevoeder en brandhout binnen de vesting te brengen ; ernstige pogingen om den belegeraars of break te doen werden niet in het werk gesteld. De uitvallen in het begin van December beoogden tevens het opruimen van het voorterrein ; daartoe rukte slechts de compagnie pionniers uit, doch daar deze al spoedig door de belegeraars ernstig in hun werk belemmerd werden, kreeg die compagnie op hare tochten dekkingen mede van eene sterkte van 150-500 man. De boerderijen, landhuizen en buitenplaatsen in de onmiddellijke omgeving van Naarden werden achtereenvolgens verwoest. Het buitengoed Zandbergen, de kweekerij Kweeklust, de buitenplaatsen Berghuis, Craaylo en Kommerrust werden verbrand en de staan gebleven muren omvergehaald. Het retranchement aan de Karnemelksloot, dat door de Franschen verlaten en door de belegeraars bezet was, moest vijfmaal een ernstigen aanval doorstaan van de Franschen, die op het bezit van dit werk grooten prijs stelden. Door een behoorlijk ingerichten voorposten- en kondschapsdienst, was het den belegeraars in bijna alle gevallen mogelijk, dienst, was het den belegeraars in bijna alle gevallen mogelijk, om den uitvallenden afdeelingen een tijdig halt toe te roepen.
Wat was er intusschen in Naarden gebeurd ? Op denzelfden dag, dat het driemanschap te 's-Gravenhage den stap deed, die ons vaderland weder onafhankelijk zou makers, verklaarde de generaal Quetard de la Porte Naarden in staat van beleg. Aan den maire werd het volgende besluit gezonden, met last de grootst mogelijke publiciteit er aan te geven.
Naarden le 17 Novembre 1813.
Le general baron Quetard de la Porte, l'un des commandants de la legion d'honneur, commandant d'armes de la place de Naarden et arrondissement, arrete ce qui suit :

 455: 17 NOV. 1813-12 MEI 1814. 
Art. ler. La ville de Naarden est declaree en kat de siege.
Art. 2. Toute intelligence avec l'ennemi et avec les revoltes sont prohibees  sous les peines portees par le code penal militaire francais. Les coupables seront traduits devant un tribunal militaire.
Art. 3. Toute offense, provocation on voye de fait d'un habitant contre un militaire sera jugee d'apres les memes lois par le meme tribunal.
Art. 4. Toute offense, provocation ou voye de fait d'un militaire contre un habitant sera puni de meme.
Art. 5. Les autorites civiles continueront d'etre respectees dans leurs fonctions. Tout individu qui leur manquera d'egards et de respect me sera amene pour par moi etre statue ce qu'il appartiendra.
Art. 6. La desertion, etant un crime, surtout dans un kat de siege, tout militaire qui s'en rendra coupable sera juge suivant toute la rigueur des lois. L'habitant qui la protegera sera jugee de meme. Tout chef de complot pour la desertion sera puni de mort. Tout deserteur qui emportera ses armes ou celles de ses camerades sera puni de mort.
Art. 7. Le present arrete sera public et affiche dans la place, mis a l'ordre du jour de la garnison et les trois jours de suite a la tete de chaque compagnie.
Le general commandant d' armes,
le baron QUETARD DE LA PORTE.

Politie- en andere maatregelen. Onmiddellijk na de in staat van beleg verklaring van Naarden nam de vestingcommandant maatregelen om de ongewenschte elernenten uit de vesting te verwijderen. Den maire werd gelast alle vreemdelingen en de door de politie gesignaleerden ten spoedigste te doen vertrekken, met de bepaling dat zij hunne bezittingen mochten medenemen, behalve matrassen, bedbenoodigdheden en vleeschketels. Tevens werden alle vrouwen en kinderen van militairen naar Utrecht gezonden. De generaal ging nog verder, door te gelasten, dat zij, die niet voor 6 maanden van levensmiddelen waren voorzien, even- eens de stad moesten verlaten , de datum van vertrek zou later

 456 NAARDEN.
opgegeven worden. Met alle gestrengheid moest aan die order uitvoering gegeven worden. Verder werd aan de poortwachten het consigne verstrekt, dat alle burgers, die de stad verlieten, niet meer mochten worden ingelaten. Al deze besluiten werden op verschillende plaatsen in de stad aangeplakt.
Den 1e December kregen de schildwachten bevel om op alle zich op de wallen vertoonende burgers te vuren, daar de generaal de aldaar aanwezige niet-militairen verdacht van slechte bedoelingen. Dienzelfden dag werd bekend gemaakt dat alle burgers 's avonds om 7 uur in hunne huizen moesten zijn. Zij die na dit uur op om 7 uur in hunne huizen moesten zijn. Zij die na dit uur op straat aangetroffen zouden warden, moesten naar een daartoe bestemd lokaal gebracht worden. De cafe's en herbergen moesten met de taptoe ontruimd en gesloten worden. Den 2e December werd eene opgave gevraagd van alle personen die wenschten te vertrekken. Zij die dit verlangden, moesten binnen drie dagen de stad verlaten. Eenige dagen daarna, 4 Dec., werd den burgers aangezegd alle communicatie naar buiten te doen ophanden , dit verbod werd gegeven naar aanleiding van brieven, die bij de poorten waren gevonden.
Den 1e December werd den maire aangezegd, zorg te dragen dat den volgenden dag, ter gelegenheid van den verjaardag van de kroning des keizers, in alle kerken bidstond zou gehouden worden, dat de driekleurige vlaggen van alle openbare gebouwen zouden waaien, dat 's avonds de stad geillumineerd zou zijn met zulk een luister als de middelen het zouden toelaten. Dienzelfden avond werden op batterij No. 6 met 3 lange zesponders vreugdeschoten gelost en op de Utrechtsche poort werd muziek gemaakt. Bij het aanbreken van den volgenden dag werden op nieuw vreugdeschoten afgegeven en om 11 uur ging de generaal vergezeld van zijn staf met een detachement van 100 man, uit de verschillende corpsen getrokken, naar de R. C. Kerk om het Te Deum te zingen. Er wierd dien dag druk – ”Vive l'Empereur" geroepen. Door den hevigen wind mislukte 's avonds de illuminatie.
Daar voortdurend aan de werken in de vesting gearbeid werd, ontving de maire den ben December de lastgeving, om maandelijks 5000 francs of te dragen aan den ondernemer van

457 : 17 NOV. 1813-12 MEI 1814.
die werkzaamheden. De belasting daartoe de burgerij opgelegd moest - zoo stond in de lastgeving vermeld - het zwaarst drukken op hen, die het meest van de aanwezigheid van het garnizoen voordeel trokken, te weten de leveranciers van eet- en drinkwaren.
De maire liet, om aan dien last te voldoen, de voornaamste inwoners op het stadhuis bijeenkomen, ten einde maatregelen te beramen, die tot het doel konden leiden. Uit het midden der notabelen werd eene commissie benoemd, bestaande uit de HH. J. P. Thierens, Coenders, Craanen en Van der Stok, om deze zaak te regelen. Deze heeren kwamen overeen, twee lijsten op te maken, de eerste vermeldende de namen der burgers en hun bij te dragen deel, en de tweede aangevende de namen van winkeliers van eet- en drinkwaren, welke hooger aangeslagen werden dan die van de  1e categorie. Ten slotte zou het nog ontbrekende bedrag uit de gemeentekas bijgepast worden.
In het begin van Januari was de vorst zoo fel ingevallen, dat den 10e van die maand de grachten van de vesting met dik ijs bedekt waren, waardoor de stormvrijheid zeer verminderd was. Om het gevaar van overrompeld te worden of te wenden, besloot de generaal met behulp van de inwoners de grachten ijsvrij te maken en te houden. Alle burgers van 18 tot 60 jaar werden ter beschikking van den kolonel der genie gesteld om mede te werken aan het uitijzen van de grachten. Aan het gemeentehuis moesten iederen morgen om 8 uur 50 door den maire bij toerbeurt aan te wijzen burgers present zijn, die gezamenlijk naar het magazijn der genie geleid werden om daar de werktuigen tot het uitijzen benoodigd, te ontvangen. Dan gingen zij met de werklieden der genie naar de grachten. 25 pompiers werden eveneens dagelijks beschikbaar gesteld om van 7-10 voorm. en 2-5 nam. met de brandspuit de borstweringen te begieten.
Maatregelen tot verlichting van de stad. Den 18e November vaardigde de vestingcommandant een order uit, waarin de maire gelast werd zorg te dragen dat gedurende den nacht de straten verlicht waren en dat zijne gemeentenaren na 10 uur 's avonds niet zonder lantaarn op straat zouden zijn.
Toen later in  de laatste helft van Januari 1814 de stad vrij

 458 NAARDEN.
regelmatig beschoten werd, gaf de generaal het strenge bevel dat in de bovenverdiepingen der huizen geen licht mocht branden, omdat zulk licht een mikpunt voor de vijandelijke artillerie zou kunnen opleveren. Allen ronde-officieren, schildwachten en zou kunnen opleveren. Allen ronde-officieren, schildwachten en brandwachten werd opgedragen ten strengste voor de naleving van dit bevel zorg te dragen. Toch schijnt niet altijd aan die order gehoorzaamd te zijn geworden, daar in het begin van Maart opnieuw door den generaal aan den maire geschreven werd, dat nu allen schildwachten en rondes de last verstrekt was om vuur te geven op alle verlichte vensters van boven- verdiepingen.
Maatregelen van hygiene. De eerste maanden van het beleg werd voor de reinheid in de vesting weinig zorg gedragen, zoodat dan ook in Februari de toestand onhoudbaar werd. Daar evenwel de winter zeer streng was en het voortdurend bleef vriezen, kon toen nog niet met voldoende kracht aan de opruiming van het vuil nog niet met voldoende kracht aan de opruiming van het vuil begonnen worden. De generaal gelastte den   2e Februari dat, bij het invallen van de dooi, alle straten en pleinen gereinigd moesten worden. Den inwoners werd aangezegd hunne huizen van binnen schoon te maken en voor de reinheid der privaten zorg te dragen. Vooral de hoopen afval bij de slagerijen en de misthoopen bij de landbouwers moesten ten spoedigste buiten de vesting worden gebracht. Transportmiddelen worden beschikbaar gesteld, om al het vuil weg te voeren.
Maatregelen tegen brand. Reeds den 20e  November vroeg de vestingcommandant aan den maire eene opgave van werklieden, die dienst konden doen als brandweerlieden en tevens om de bestaande brandspuitorganisatie te stellen onder de bevelen van den kolonel der genie. Uit deze mannen werd eene compagnie pompiers geformeerd. Toen den 19e Januari de eerste granaten binnen de vesting vielen, werd den pompiers aange- zegd, dat zij in geval van beschieting zich moesten verzamelen bij het stadhuis en zich daar ter beschikking stellen van den commandant der genie. Den ,maire werd gelast in het stadhuis een brandwacht te plaatsen en tijdens een bombardement patrouilles van spuitgasten door de stad te doen loopen om onmiddellijk bij uitbreken van brand alle middelen tot blussching in het werk te kunnen stellen.

 459 : 17 NOV. 1813-12 MEI 1814.
Zooals reeds gemeld, waren vele burgers, die niet voor 6 maanden van levensmiddelen waren voorzien, den 11e Dec. de stad uitgezet. Den 3e Januari vroeg de generaal opnieuw eene opgave van de bewoners, die niet voor 5 maanden van levensmiddelen voorzien waren, met de bepaling dat zij, wier namen op de lijst geplaatst waren, binnen 8 dagen moesten vertrekken. Alzoo had in dien tijd een tweede uittocht plaats. Toen het bombardement - waarover later meer - begon, sloeg velen bewoners de schrik om het hart en vroegen zij toestemming om de stad te mogen verlaten. De generaal wilde dit wel toestaan, onder voorwaarde evenwel, dat zij, die zulks verlangden, eerst hunne achterstallige belasting betaalden en tevens de belasting van het eerste halfjaar van 1814, welke vooruit te betalen belasting bepaald zou worden volgens de cohieren van 1813. Slechts enkelen tastten in de beurs en ontliepen zoodoende het gevaar van beschieting.
Den 18e Maart werd nog eens eene opgave gevraagd van de namen van hen, die niet voor 5 maanden geapproviandeerd waren, met de strenge order aan den maire, die lieden de stad te doen verlaten.
Den 31e Maart werd den gemeenteraad met den maire en den griffier verzocht, dien dag, vergezeld van vier notabelen, bij den generaal te komen, om kennis te namen van mededeelingen in het belang van de bevolking. Zeven leden van den raad waren met den maire en den griffier op het bepaalde uur verschenen, benevens van de notabelen de heeren Craanen, J. P. Thierens, Van Croogh en A. J. Thierens. De generaal had zijn geheelen staf om zich verzameld, en deelde aan de bezoekers mede dat uit een gehouden onderzoek gebleken was, dat de in de vesting aanwezige provisien niet toereikend waren voor de bevolking, waarom den maire en notabelen dus gelast werd, de ingezetenen aan te wijzen, die geen proviand genoeg hadden, ten einde hen de stad te doen uitzetten. De maire antwoordde hierop al het zijne gedaan te hebben om de behoeftigen te animeeren de stad te verlaten, doch dat het hem onmogelijk was zijne ingezetenen, die volgens aanschrijving van 29 Nov. 1813 geproviandeerd moesten zijn voor 6 maanden, en van wie men, onder allerlei voorwendselen, hun overschot van aardappelen enz. had afge-

460 NAARDEN.
kocht, nu in dank voor hunne bereidwilligheid de stad nit te zetten. Met kracht van redenen werd die weigering door den beer Craanen ondersteund, terwijl deze er nog bijvoegde dat indien men de ingezetenen hun proviand liet behouden, de aanwezige heeren zorg zouden dragen voor het onderhoud der behoeftigen. Op de reflectien van de kolonels Daulle en Fromond dat de generaal het recht van souvereiniteit had, dus ook om ieder naar zijn believen de stad te doen uitzetten, antwoordde de heer Craanen dat men dan den maire, den raad of de notabelen niet van doen had en aan de willekeur alsdan gehoorzaamd zou worden. Eenige discussie volgde toen over de juistheid van den staat van provisien en het gevolg hiervan was, dat door den generaal bepaald werd, dat den ten April a.s. eene nadere telling zou gehouden worden en hij daartoe 12 officieren van bet garnizoen zou benoemen, met verzoek aan den maire om insgelijks 12 der voornaamste ingezetenen aan te wijzen om bij die opneming de behulpzame hand te bieden. Voorts gaf de generaal de verzekering niets meer ter harte te nemen dan het welzijn der ingezetenen met wie hij sinds twee jaren met genoegen verkeerd had, doch dat de vrees van hen honger en gebrek te zien lijden, de voornaamste oorzaak van zijn voorstel was geweest 1). Hier- mede eindigde de bijeenkomst, en de maire noodigde de heeren Ruighout, Dan, Coenders, Verkerk, Perk, Dillewijn en Bolten, municipale raden, en de heeren J. P. Thierens, Van Croogh adjt.- maire, A. J. Thierens, Alb. Nieukerk en J. Ketjen als notabelen uit, om bij de huisvisitatie te assisteeren. Door het krachtig en beleidvol optreden van den maire en van den heer Craanen werd de bevolking voorloopig voor een derden exodus behoed. Maatregelen tegen bombardment. Door parlementairs den 19e Januari op de hoogte gebracht van het vooruemen van de be- legeraars om de vesting te bombardeeren, schreef de generaal aan den maire, zijnen gemeentenaren aan te zeggen zich schuilplaatsen te verschaffen door zes voet aarde of mest op hunne kelders aan te brengen, waarin zij zoodoende gedurende een bombardement veilig zouden zijn.
1) Uit het dagboek van den maire, aanwezig in het gerneente-archief te Naarden. 

 461: 17 NOV. 1813-12 MEI 1814.
 Er waren echter vele huizen zonder kelders en die huizen waren in den regel zeer klein en licht gebouwd, zoodat de bewoners bij beschieting niet de minste gelegenheid hadden zich te beveiligen. Daarom vroeg de maire aan den generaal een of meer doorgangen onder den wal beschikbaar te stellen, om deze, bij beschieting der stad, als nachtverblijf voor de burgers of te staan. Dit verzoek werd ingewiliigd, onder voorwaarde dat zij die er van gebruik wilden maken, 's middags om 4 uur zich moesten aanmelden en er blijven tot den volgenden morgen 6 uur. Vele burgers maakten van die verblijfplaatsen - hoe ongerieflijk ook - gebruik.
Desertie. Onder het garnizoen van Naarden bevonden zich vele Nederlanders, waarvan er voortdurend - zoo zij de kans schoon zagen - deserteerden. Bij de vele uitvallen verloren de belegerden meer manschappen door desertie dan door het vijandelijk lood, en de strenge winter, die het terrein overal toegankelijk maakte, bood den deserteurs de behulpzame hand. Bij den uitval op 16 December 1813 werden door de bezetting twee Duitschers gevangen genomen, genaamd Wagner en Schumacher, die bleken deserteurs uit de vesting te zijn. Twee dagen na hun gevangenneming stonden zij voor een krijgsraad, onder voorzitterschap van kolonel Fromond, terecht. Zij werden veroordeeld tot den dood met den kogel. Een half uur na de uitspraak werden zij op het Oranje-bolwerk gefusilleerd, in het bijzijn van het geheele garnizoen. Door deserteurs kwam generaal Kraijenhoff het vonnis, over Wagner en Schumacher uitgesproken en volvoerd, te weten , hoe hij over deze handelwijze dacht, moge blijken uit den inhoud van den hier volgenden brief, welken hij aan Quetard de la Porte schreef:

General,
L'emissaire que vous avez trouve a propros de faire sortir de Naarden, a ete arrete par Ines avant-postes. Je m'en sers pour vous faire connaitre ma facon de penser sur la conduite, que vous suivez dans la fortresse et specialement sur l'assassinat de deux de mes soldats. Je pourrai vous rappeler, general, que ces malheureux etaient arraches par la violence des bras de leurs

 462 NA ARDEN.
families pour augmenter les Tangs que l'oppression et la rage a vomi pour desoler 1'Europe et qu'ils combattaient sous les dra- peaux de leurs allies pour l'independance et le bonheur de leur pays, deja ennerni du votre lorsque le sort de la guerre les placa entre vos mains. Je pourrai vous dire que fideles aux principes entre vos mains. Je pourrai vous dire que fideles aux principes d'honneur et d'equit? j'ai refuse l'offre de service d'un nombre de francais et particulierement d'un d?serteur de votre garnison ne dans l'ancienne France mail je prefere a vous parser dans un langage que vous comprendrez mieux peat-etre. Je vous previens done, general, que je vous tiens responsable pour tout acte de violence qui sera commis aux habitants de Naarden et de ses environs, que vous rendrez compte de la maniere que vous suivrez pour subvenir a la subsistance des families et finalement que dorenavant pour chacun de mes militaires qui perira, lement que dorenavant pour chacun de mes militaires qui perira, votre prisonnier de guerre, deux Francais subiront la snort. J'engage ma parole d'honneur ? et je sais la tenir, monsieur le general ? qu'en outre votre tete me garantira de votre con- duite A l'avenir.
Le general, g ouverneur de la ville d' Amsterdam,
(signe )    KRAIJENHOFF.

Alle ladders, toebehoorende aan de burgerij, waren op last van den generaal den 20e  Januari in de Groote kerk gebracht, een maatregel o. a. om het afdalen naar het ijs in de grachten onmogelijk te maken. Niettegenstaande die voorzorgsmaatregelen verlieten toch dagelijks manschappen de vesting, waarin zij dikwijls door burgers werden bijgestaan.
Den 13e Januari werden twee inwoners, genaamd De Graaff, gevangen genomen, onder verdenking van aanmoediging tot en begunstiging van desertie. De maire stelde pogingen in het werk om hunne vrijheid te bewerken, doch de generaal wilde voorloopig niets daarvan weten en hij schreef den maire aan, eene proclamatie bekend te maken, waarin gewaarschuwd werd tegen begunstiging van desertie, luidende - De maire der stad Naarden, expresselijk door den heer generaal aangemaant, waarschuwt een iegelijk zeer ernstig zich van alle gesprekken te onthouden, die in het minst of eenigerwijze aanleiding zoude kunnen geven om de desertie te begunstigen

 463 17 NOV. 1813-12 MEI 1814.
of aan te moedigen, zullende diegeen die zich 't zij met daaden of met gesprekken aan deze misdaad mogten schuldig maken, voor een militaire regtbank worden gebragt en volgens de code penal militair worden gestraft; de wet hieromtrent luid als volgt
Art. 1. Alle wervers of ronselaars, voor de vijand, vreemdelingen of opstandelingen zullen met den dood worden gestraft, zijn goederen zullen zijn geconfisqueerd.
Art. 2. Hij zal beschouwd worden als ronselaar of werver die door geld, sterken drank of eenig ander middel zoeken zal militairen van hun corps te doen verwijderen, om over te gaan naar den vijand, vreemdeling of opstandeling. De heer generaal-commandant dezer vesting, gelast hebbende dit zoude worden gepubliceerd, zo geschied dit bij deze, opdat niemand eenige ignorantie pretendeere. Aldus gedaan te Naarden den 20e  Januari 1814.
De maire voornoemd,
(was get.) W. POELE".

Gedurende het geheele beleg zijn meer dan 300 man gedeserteerd.
Levensmiddelen, enz. Begin Januari beschikte het garnizoen over 37 koeien, terwijl midden December bij de burgers in de stad aanwezig waren 158 koeien, 49 kalveren, 3 schapen, 4 varkens en 55 paarden.
Om controle uit te oefenen op het vleeschverbruik in de vesting, gelastte de vestingcommandant, dat geen beest geslacht mocht worden dan met toestemming van mr. Pichonnier, surveillant des bestiaux de l'approvisionnement. In Februari werd bevel gegeven, dat niet meer dan 6 koeien per maand ten behoeve van de burgerij mochten worden geslacht. Aan vleesch was gedurende het beleg geen gebrek. In Januari was er evenwel groot gebrek aan koffie, thee, zeep, olie, kaarsen, gort, erwten, boonen, tabak, jenever, schoeisel en linnen. Den ien Februari werden voor het garnizoen de rations verminderd en vooral werden de uitkeeringen van jenever beperkt. Onder de militairen werd als gevolg daarvan een drukke handel gedreven in dat genotmiddel ; men betaalde tot f 2.-  per flesch. Ook de rations brood werden lichter gemaakt. Om nog grooter zekerheid te

 464 NAARDEN.
verkrijgen, dat de honger hem niet zou noodzaken de vesting over te geven, besloot de generaal den 3e Maart de manschappen van de nationale garde en van het regiment van Texel - bijna alle Nederlanders - de vesting uit te zetten. Bij eene inspectie op dien datum over het geheele garnizoen werd dit besluit voorgelezen. Dadelijk daarna vertrokken ongeveer 250 man, met achterlating van hunne rokken en schako's. Daar op dien dag nog een deel van de vrijgelatenen op wacht waren, vertrokken deze eerst den volgenden dag ten getale van 120.
De vele uitvallen in het begin van het beleg hadden o. a. ten doel het aanvullen van de hoeveelheden hooi, stroo en brandhout.
Al spoedig toen het observatiekorps in betere conditie kwam, leverden die fourageeringen niet veel meer op, zoodat, in verband met de heerschende koude, al heel spoedig gebrek kwam aan brandhout en turf. Den 4e Maart was de hoeveelheid brandstoffen van het garnizoen uitgeput. Bij de inwoners werd toen turf gerequireerd tegen betaling van 14 stuivers de honderd uit de stadskas. Het aangevraagde brandhout werd verkregen uit de stadskas. Het aangevraagde brandhout werd verkregen door het rooien van boomen op stadsgrond.
Bombardement van de vesting. Om met meer kracht het beleg van de vesting voort te zetten, en ook omdat nit het afwijzen van de parlementairs de vaste wil van generaal Quetard om te volharden, gebleken was, besloot Kraijenhoff tot een bombardement over te gaan. Den 19e  Januari werd er mede begonnen, zoowel van de zijde van Muiden als van Bussum. Om elf uur 's avonds vielen de eerste schoten. Het vuur duurde tot 2 uur 's nachts. In dien tijd zijn er uit het epaulement in het Spiegel 38 houwitzer-granaten naar de stad geworpen, waarvan er 19 het doel bereikten. In Naarden werden 7 douanen gekwetst of gedood, terwijl brand veroorzaakt werd in eene bakkerij. De bezetting beantwoordde het vuur zeer levendig, zonder schade aan te richten.
Het bombardement werd niet geregeld iederen dag voortgezet; eerst den 14e Februari werd een aanvang gemaakt alle nachten de stad te bombardeeren van 's avonds 10 tot 's morgens 4 uur, met ieder half uur een granaat. Den 24e Februari werden in de vesting 6 ongevulde granaten geworpen. Op de eene helft van die granaten stond in het Fransch en op de andere helft

465: 17 NOV. 1813-12 MET 1814.
in het Hollandsch met witte letters op zwarten grond geverfd : ” de geallieerden bij Parijs" , - de hertog van Angouleme, koning van Frankrijk" , “ morgen een parlementair" . De buizen van de granaten waren opgevuld met couranten. Vijf van die granaten bereikten de stad, en de generaal werd al spoedig met die wijze van berichtgeving in kennis gesteld. Naar aanleiding hiervan vaardigde hij de volgende proclamatie uit :

Ordre du jour du 25 Fevrier 1814.
 Je suis informe que l'ennemi a envoye dans la place des obus avec des ecrits incendiaires, en consequence j'ordonne que tout militaire de quelque grade qu'il soit ainsi que tout habitant de la ville qui verra un obus non eclate, soit tenu de l'aller chercher et de la rapporter au general commandant d'armes a l'instant meme ou il la decouvrira.
Celui qui ne la rapportera pas ou n'en fera pas au moms donner avis de suite au general., sera puni comme cherchant a proteger des relations criminelles avec les rebelles et celui qui aura vuicle cet obus sera puni de mort, comme cherchant a repandre avec connaissance de cause des proclamations ou libelles qui quoique mensongers dans tout leur contenu ne changent rien a l'intention criminelle de celui qui cherche a les rechercher.
Monsieur le maire publiera le present ordre avec le meme appareil que celui de la publication de la place en etat de siege et messieurs les chefs de corps assisteront a la lecture du present ordre, qui aura lieu devant les troupes rassembles par corps et dans leurs langues ; dans le lame moment elle aura lieu dans les postes, afin que personne ne puisse pretendre en ignorer. Plusieurs obus qui n'ont point eclates, sont encore dans la place, ils doivent etre sur le champ sous les memes peines rap- portes comme ci-dessus.
La lecture du present ordre aura lieu dans la meme forme pendant trois jours A tous les appels, sous la responsabilite de messieurs les chefs de corps et de poste toujours presents.
Le general commandant d'armes,
(signe) Le baron QUETARD.

Het bombardement richtte veel schade aan in de huizen; veel menschenlevens waren niet te betreuren, alleen werden den 16e
Gedenkboek. II

 466 NAARDEN.
Februari twee kinderen gedood, terwij1 den 19e Februari een schip, dat in de haven lag, door een granaat getroffen werd en spoedig daarop zonk. Den 17e Februari werden door een granaat twee koeien doodgeslagen.
Daar de vele uitvallen het bewijs leverden dat de generaal Quetard de vesting tot het uiterste zou verdedigen, besloot generaal Kraijenhoff in het einde van Februari door krachtiger middelen, Kraijenhoff in het einde van Februari door krachtiger middelen, dan waarover men tot nu toe had kunnen beschikken, den vijand tot overgave te dwingen. In de eerste plaats vroeg en verkreeg hij in dien tijd de beschikking over de vuurmonden, die na de overgave van de vesting Gorcum waren vrijgekomen , terwijl voorts door medewerking van admiraal Verdooren eene niet onbelangrijke hoeveelheid scheepsartillerie voor Naarden kon worden gebracht.
Ook werd door den admiraal in het begin van Maart een bataljon van 300 man met de noodige officieren, onder bevel van den kapitein-luitenant ter zee J. F. C. Waardenburg, ter beschikking van generaal Kraijenhoff gesteld. Den 21en Maart d.a.v. werd dit korps nog versterkt met 80 man onder bevel van den luit. ter zee Pfeil.
Den 11e  Maart nam Kraijenhoff zelf het commando over het belegeringskorps op zich, en vestigde hij zijn hoofdkwartier te Weesp. Na verschillende verkenningen gaf hij 14 Maart aan den comm.-gen. van oorlog kennis, dat een geregeld beleg van de vesting onvermijdelijk was en dat hij derhalve voornemens was, Naar op verschillende punten met parallellen te enveloppeeren en door tranchees te naderen. Voor de werkzaamheden daartoe in de loopende maand vroeg hij een bedrag van f 15000 aan, tot betaling van 1000 goede werklieden a f 1 per dag. Bij besluit van den Souvereinen Vorst werd dit bedrag den 15e Maart toegestaan.
Nog voor zijne vestiging te Weesp had Kraijenhoff reeds den 4 Maart verandering gebracht in de opstelling van het korps, dat van of dien dag belegeringskorps genoemd werd. Het terrein om Naarden werd in drie sectoren verdeeld : 1e   rechtervleugel, 2e
. centrum, 3e  . linkervleugel. De rechtervleugel strekte zich uit van de Zuiderzee tot aan de Karnemelksloot, het centrum van de Karnemelksloot tot het 

467: 17 NOV. 1813-12 MEI 1814.
Muider zandpad, naast de trekvaart van Naarden op Muiden, en de linkervleugel van laatstgenoemd pad tot aan de Zuiderzee. De rechtervleugel, waarvan het hoofdkwartier zich to 's-Graveland bevond, stored onder bevel van kolonel Van den Bosch. In dezen sector deden de volgende korpsen dienst :
1e  . het 3e (oorspronkelijk 1e )    bataljon infanterie van linie, commandant luitenant-kolonel R. Bruce ;
 2e . het 13e (oorspronkelijk 3e ) bataljon infanterie van linie, commandant luitenant-kolonel J. H. Siebers, later majoor J. B. Van Wintershoven;
3e . een detachement van het eskadron van het le regiment dragonders, commandant majoor Bisdom ;
4e . het korps vrijwillige jagers (scherpschutters), commandant kapitein Rooseboom;
 5e . een bataljon Amsterdamsche schutterij ;
 6e . het korps matrozen en mariniers, commandant kapt.-luit. ter zee J. F. C. Waardenburg ;
 7e . eene afdeeling artillerie, commandant majoor J. C. Michael

Het centrum, waarvan Weesp het hoofdkwartier was, werd gecommandeerd door kolonel Rittner. Tot dezen sector behoorden de volgende korpsen
1e . 2 bataljons van de Amsterdamsche schutterij ;
2e . het korps Amsterdamsche scads-artillerie, commandant luitenant-kolonel A. Schippers ;
3e . eene afdeeling artillerie van het 4e bataljon, commandant kapitein J. Obdam.

In den linkervleugel, met Muiden als hoofdkwartier, voerde majoor Kamps het bevel over de volgende troepen :
1e . 2 bataljons der Amsterdamsche schutterij ;
2e . eene afdeeling artillerie van het 4e bataljon, commandant kapitein J. W. Sturler ;
3e . eene afdeeling van het 13e bataljon infanterie van linie. In de verschillende sectoren waren genie-officieren geplaatst tot het ontwerpen en doen uitvoeren van de verschillende aanvalswerk en. Als aides-de-camp van den opperbevelhebber deden dienst de kolonel Verveer en de luitenant Engelbert van Bevervoorde. De kapiteins Van Sloten en Frijmersum, en de luitenant Taets

 468 NAARDEN.
van Amerongen waren ordonnans-officieren. Chef van den geneeskundigen dienst was chir.-majoor Benecken. Hoewel eene nauwkeurige opgave van de sterkte van het belegeringskorps niet kan worden medegedeeld, meenen wig die bij benadering als volgt te kunnen aannemen :
Infanterie . . . . 3700 officieren en manschappen.
Artillerie .... 300 id.
Cavalerie .. . id.
Totaal . . 4300 officieren en manschappen.

Den 10e April vertrok het korps matrozen en mariniers, om wederom in dienst der marine te treden, daar de Souvereine Vorst eene flottille wilde uitrusten met bestemming naar Hamburg, om met de Geallieerden tegen die vesting samen te werken. Na eene verkenning van het terrein gaf generaal Kraijenhoff den 12e Maart bevelen tot het aanleggen van verschillende aanvalswerken, welke onder toezicht van het ingenieurskorps zijn uitgevoerd 1). In het terrein van den rechtervleugel werden door de luits.-ing. Baud en Backer-Seest opgeworpen:
 1e . de batterij bij het huis van den heer Echenique (Berghuis).
2e . de batterij bij Kommerrust.
3e . de batterij voor het dorp Bussum.
Op den linkervleugel werden emplacementen voor worpgeschut gemaakt, onder leiding van den luit.-ing. Van Asperen, op en ter zijde van den zeedijk tusschen Muiderberg en Naarden terwijl men de door Kraijenhoff bevolen werken, bestaande in loopgraven om dien post te verbinden met den mond der oude haven van Naarden, alwaar eveneens een batterij zou worden opgericht, niet ten uitvoer heeft kunnen brengen. Daar al de genoemde werken aangelegd werden binnen het bereik van het geschut op Naarden's wallen, is het duidelijk, dat de bezetting door middel van kanonvuur alle pogingen in het werk stelde om den arbeid te storen of te verhinderen. Vooral de werkzaamheden in de redoute aan de Karnemelksloot hadden veel
1) Zie de reproduction naar schilderijen van P. G. Van Os, voorstellende - de Halve-maan voor Naarden" en  - Het beschieten van Naarden in 1814".

469:  17 NOV. 1813-12 MEI 1814.
te lijden van de granaten des vijands. Den  15e Maart bij v. werd op de redoute van 's morgens acht tot 's middags half twee voortdurend gevuurd, hetgeen de werkzaamheden ten zeerste belemmerde en waardoor de bezetting drie dooden kreeg. Den 18e , 19e en 20Maart werd gewerkt aan de batterijen van den rechtervleugel en de loopgraven, die er heen leidden. De batterij bij Berghuis was den 26e  gereed en de erbij behoorende loopgraven twee dagen later ; de batterij en loopgraven, bij Kommerrust waren den 29e voltooid. Den 1e April waren alzoo de batterijen op den rechtervleugel gereed en met geschut gemonteerd.
Op de batterij bij Berghuis stonden 4 mortieren en 4 houwitzers ;
Op de batterij bij Kommerrust stonden  5 houwitzers en 3 30 ponders;
Op de batterij bij Bussum stonden :  5 houwitzers en 3 24 ponders ;
op de redoute bij de Karnemelksloot twee houwitzers en een veldstuk.

Door den slechten staat der wegen (coupures en verhakkingen) en der paarden had de bewapening der batterijen, vooral aan den rechtervleugel, v eel inspanning gekost. Bij dit werk werd veel steun ondervonden van een detachement landstorm uit het kanton Loosdrecht, aangevoerd door kapitein Pieter Van Os, kunstschilder, van wien kolonel Van den Bosch berichtte  ” dat hij onafgebroken bewijzen gaf van bereidwilligheid tot alles wat slechts eenigszins den lande dienstbaar was". Een ooggetuige evenwel meldt dat Pieter van Os en zijn korps ” geen duit presteerden" 1).
De werken, die door de genie aan weerskanten van de Karnemelksloot waren uitgevoerd, verheugden zich in eene levendige belangstelling van de bezetting van Naarden, die niets onbeproefd liet, om zoowel door een levendig vuur uit de vesting als door het doen van uitvallen naar dien kant, de nieuw opgeworpen werken te vernielen en de arbeiders te verjagen. Een van die uitvallen geschiedde den 24Maart ; een gewapend detachement met een veldstuk, dat evenwel bij de Amsterdamsche poort bleef staan, rukte op tot het huis van den heer Nuboer, alwaar zich een verdedigingswerk bevond. Het
Uit: Verhaal van J. G. Matthes van Haringcarspel over het beleg van Naarden, aanwezig in het rijksarchief te Haarlem.


P 470
Gelukte den uitvallers de zich aldaar bevindende materialen onbruikbaar te maken en het huis van Nuboer in brand te steken.
De Franschen hadden slechts een gewonde en verloren 10 a 12 man door desertie.
Den 27e Maart werd door de bezetting een tocht ondernomen  met 2 veldstukken tegen de batterij op den Zeedijk tusschen Muiderberg en Naarden. Die batterij werd genomen en gedeeltelijk vernield, terwijl nog een molen aan het Zandpad verbrand werd. Spoedig evenwel werd het verder doordringen door de bezettingen van Muiden en Muiderberg belet en de vijand genoodzaakt te retreeren.
Den 28e Maart werd door de Franschen eene pogiing gedaan om Bussum te overrompelen; doch zij werden bij de nadering van genoemd dorp hevig beschoten, en in weerwil van het geschutsvuur van de wallen tot ondersteuning van den aanval, werden zij gedwongen kort daarop binnen de vesting terug te gaan.

Op den dag, dat de erfprins van Oranje inspectie zou houden over het belegeringskorps, overviel de vijand den post geplaatst ter bewaking van de batterij bij Berghuis. Die post stond onder bevel van den 2e  luitenant N. J. de Planque Vuur. De vijand, 400 man sterk, onder bevel van overste Devilier, maakte zich meester van de batterij en nam de bedekking ervan gevangen.
De belangrijkste uitval had plaats den  11e  April tegen de bezetting van Muiderberg, waarvan de le luitenant P. Van der Hummel commandant was. De bezetting bedroeg ongeveer 48 man nationale garde 1) ; de dijk werd bestreken door een batterij van 2 stukken onder commando van den 2e luitenant J. P. de Gerard de Mielet van Coehoorn. Men meent met eenige zekerheid te weten, dat het den Franschen bekend was, dat op den 2en Paaschdag, 11 April, veel schutters in het geheim naar Amsterdam waren gegaan. Een groot deel van Muiden's bezetting was werkelijk op dien dag in Amsterdam, om den feestdag in huiselijken kring te vieren. De verantwoordelijkheid voor dezen zeer te laken toestand was voor den vestingcommandant van Muiden, den majoor Kamps, blijkbaar van minder belang, clan het voordeel, hetwelk zijn beurs ten goede kwam door de ont-
1) Zie de reproductie naar een prent in kleuren, voorstellende ” de Hoofd- wacht der nationale garden te Muiderberg".

471:  17 NOV. 1813-12 MET 1814.
vangst van drie stuivers per verlofpasje, dat aan de verlofgangers uitgereikt werd 1). De opperbevelhebber van het blokkadekorps had van den feestdag gebruik gemaakt om, vergezeld van zijn staf, vrienden en dames, de positien te bezichtigen. Na op het buiten van den burgemeester van Muiden, den heer Saportas, het noenmaal te hebben gebruikt, werd op verlangen van eene welbekende dame uit Amsterdam en op bevel van den generaal een schot uit een kanon gelost. Kort daarna ontwaarde men met schrik den opmarsch van de Franschen in twee colonnes naar Muiderberg. Generaal Kraijenhoff met gezelschap stapte onmiddellijk in den wagen, waarmede de tocht ondernomen was, om hals over kop langs het Hakkelaarshek een veilig heenkomen naar Muiden te zoeken. De majoor Kamps moest achterblijven, daar in de karos geen plaats meer was. De luitenants Van der Hummel en Coehoorn waren met hunne manschappen spoedig op hun post. De Franschen, ongeveer 400 man sterk met 2 veldstukken, naderden snel. Het heldhaftig gedrag van den luitenant Coehoorn mocht tegen de groote overmacht niets baten. Met talrijke wonden bedekt, werd hij ten slotte gevangen genomen. Van den ten luitenant Van der Hummel kan niets tot eere vermeld worden. Hij had zich bijtijds uit de voeten gemaakt en zich gedurende het gevecht en de plundering van Muiderberg verstoken in het kreupelbosch tusschen den dijk en het strand. Tegen den avond kwam hij daaruit te voorschijn en gaf een leugenachtig verhaal van zijne heldendaden. Coehoorn werd 24 Nov. 1816 door koning Willem I tot belooning van zijn heldhaftig gedrag benoemd tot ridder der Militaire Willemsorde. Den 13e  en 17e  April werden door de bezetting nogmaals pogingen gedaan om onze posten te overvallen, doch zonder goeden uitslag. Den 13e  was het op Bussum gemunt , den 17e April werd den geheelen dag gevochten in de buurt van Valkeveen, met grooten moed aan beide zijden. Eerst om 4 uur nam. werden de Franschen gedwongen binnen de vesting te vluchten. Niettegenstaande het geringe succes, dat de Franschen met hunne

1) Hier tegenover staat dat generaal Kraijenhoff in een schrijven aan den commissaris-generaal van oorlog, dd. 11 Juni 1814, van Majoor Kamps zegt, dat hij ” sedert den len December des verleden jaars met zooveel ijver als ?commandant te Muiden heeft gefungeerd".

472 NAARDEN.
uitvallen bereikten, werd voor den 27e  April wederom eene onderneming voorbereid, welke in den nacht ten uitvoer zou gebracht worden. Door het deserteeren van eenige soldaten, waardoor het element der verrassing verloren was gegaan, moest de commandant van zijn plan afzien. Na den 27e April zijn geen uitvallen van belang meer door de Franschen ondernomen.
Verdere beschieting en aangerichte schade. Zooals reeds vermeld, zou van of 14 Febr. iederen nacht om het half uur een granaat , zou van of 14 Febr. iederen nacht om het half uur een granaat naar Naarden geworpen worden. Voor  dien tijd kon aan eene geregelde beschieting door gebrek aan munitie niet gedacht worden. Na 14 Febr. werd de stad regelmatig beschoten. De huizen hadden veel te lijden, doch verlies aan menschenlevens was niet te betreuren ; 15 Maart werden twee douanen gekwetst.
Toen in het begin van April de batterijen om Naarden gereed en bewapend waren, werd door Kraijenhoff aan de drie sector-commandanten op den 4e  April bet bevel verstrekt, dienzelfden avond het bombardement der vesting te doen beginnen en het te doen voortzetten tot den volgenden morgen 5 uur. Uit twintig vuurmonden werd dien nacht de vesting beschoten ; de vijand vuurmonden werd dien nacht de vesting beschoten ; de vijand beantwoordde het vuur zonder schade aan de belegeraars toe te brengen. De verwoesting binnen Naarden was onbeschrijfelijk. Bijna geen huis was onbeschadigd gebleven, vooral de perceelen in de Voorstraat hadden veel geleden. Eene jonge vrouw, die zich in een koeienstal veilig waande, wed gedood. Den daaropvolgende avond en nacht braakten weer alle vuurmonden hun verschrikkelijke inhoud uit over de geteisterde stad. Daar dit bombardement voorzien was, had de bevolking zich in veiligheid gebracht, zoodat er geen menschenlevens verloren gingen.
Na die twee zware beschietingen werd de stad  bij tusschenpoozen zwak beschoten; dit geschiedde in den regel als antwoord op de bommen en granaten, die de bezetting uit de vesting naar de belegeraars wierp. Gebrek aan munitie was de eene reden, waarom de krachtige beschietingen van 4 en 5 April niet meer herhaald werden, terwijl de andere reden gelegen was in een bevel van den Souvereinen Vorst dd. 14 April, om alle offensieve maatregelen tegen Naarden te staken en zich te bepalen tot een zuiver defensief, met het oog op de gebeurtenissen in Frankrijk, welke eene spoedige regeling van zaken tusschen
   
473 : 17 NOV> 1813 – 12 MEI 1814
dit rijk en ons land deden verwachten. Op den 3e Mei vielen de laatste drie granaten en een 12-pondskogel binnen de veste.
Den 9e Juni 1814 diende het provisioneel bestuur van Naarden een verzoek om schadeloosstelling in aan den Souvereinen Vorst wegens de aangerichte schade gedurende de belegering.
In een bij dat verzoek overgelegden staat van taxatiën leest men, dat het totaal bedrag der vernielingen, branden, omhakkingen van hout en plantsoenen, schade aan meubelen enz. enz. f 230.738 – 9. -  bedroeg.
Verdere maatregelen binnen de vesting. Als gevolg van de uitkomst der telling van de provisien binnen Naarden den 1e April, gelastte de generaal Quetard de la Porte, dat 495 personen de stad moesten verlaten. Ofschoon de maire alle moeite deed om den generaal op dit besluit te doen terugkomen, werd het grootste gedeelte van hen, die daartoe aangewezen waren, den volgenden dag te 2 uur nam. de stad uitgezet. Uit genoemde telling was gebleken, dat nog aanwezig waren :
8329 maatjes aardappelen,
236 mud graan,
5756 pond meel en
2772 pond gezouten en gerookt vleesch.
Uit deze gegevens blijkt voldoende, dat van gebrek aan levensmiddelen in Naarden op 1 April nog geen sprake was. Dat in de magazijnen van het garnizoen ook nog voldoende voorraad aanwezig was op dien datum, kan blijken uit het feit, dat na de ontruiming van de vesting, den 6en Juli 1814 d.a.v., bij eene openbare verkooping van hetgeen door de Franschen was achtergelaten, nog ten verkoop werd aangeboden o. a. :
74 okshoofden wijn.
9 okshoofden  jenever.
1 vaatje brandewijn.
26 ton pekelvleesch.
9 ton pekelspek. 151 balen rijst.
343 zak tarwemeel.
151 zak roggemeel.
100 zak gemalen haver.
12 zak zout.
135.000 pond hooi.
500 bos stroo
en eenige runderen.

474 NAARDEN
De vestingcommandant heeft tot het laatst toe gemeend, dat de zaak de Franschen ten slotte zou zegenvieren; vandaar zijn grote zorg om voldoende proviand in de vesting te houden. Hoewel er den 27e April nog genoeg koeien in de stad aanwezig waren, wilde hij deze nog sparen en gelastte daarom het slachten van 3 paarden. Hierover ontstond zoowel bij de burgerij  als onder de militairen groote ontevredenheid. Bij de distributie van dit paardevleesch aan de soldaten weigerden de etrangers het in ontvangst te nemen; zij gingen zelfs zoo ver het vleesch voor de voeten van kolonnel Falba neer te smijten. De artillerie werd met brandende lonten bij de stukken geplaatst en de belhamels van het verzet in arrest gesteld. De kolonel Falba dreigde ieder, die niet onmiddellijk gehoorzamen wilde, te zullen laten doodschieten. Dit hielp en het garnizoen at paardevleesch.
Hoewel er voldoende voorraad brood en aardappelen aanwezig was en de bevolking voor hongersnood niet beducht behoefde te zijn, zoo was er toch groot gebrek aan andere levensbehoeften. Voor een flesch slechte jenever bijv. werd 3 gld. betaald, en om zich aan een pekelharing te vergasten, moest men f 2.50 offeren.
Op den 1e Mei werd den burgers toegestaan 's avonds tot 9 uur buiten hunne huizen te verblijven, en het paardevleesch werd om den anderen dag vervangen door versch of gezouten vleesch of spek.
Onderhandelingen. Den 6e  December was de eerste poging, om langs vreedzamen weg de Franschen tot overgave te brengen, mislukt ; de parlementairs waren kortweg afgewezen. Den 7en Januari vertoonde zich voor de Amsterdamsche poort opnieuw een trompetter en een officier, om te onderhandelen. Niettegenstaande de witte vlag die zij zichtbaar droegen, werd door de douanen, de witte vlag die zij zichtbaar droegen, werd door de douanen, die op wacht waren, op hen geschoten, zoodat de parlementair met versnelden pas en onverrichter zake moest terugkeeren. Den 19en Januari 's morgens om 11 uur verschenen voor de derde maal twee officieren en een trompetter met witte vlag voor de Amsterdamsche poort, welke zendelingen door kolonel Daulle werden aangehoord, doch blijkbaar zonder gevolg, want een uur na hun vertrek werd de vesting van de zijde van Bussum hevig

475:  17 NOV. 1813-12 MEI 1814.
beschoten. Den 10e  Februari waren de afgezonden parlementairs niet gelukkiger dan de vorige malen; de op wacht zijnde manschappen hielden hen door geweervuur op behoorlijken afstand van de poorten. Evenzoo den 26e Februari. Om ruim 12 uur van den  5e April verscheen weder een parlementair voor de Amsterdamsche poort. De generaal Quetard de la Porte, in gezelschap van zijn staf, liet den maire en den secretaris bij zich komen en deelde aan dezen mede dat er voor de poort weder een parlementair verschenen was.  ”Tot nu toe," zoo ging de generaal voort,  ” heb ik geen parlementairs willen ontvangen, doch daar de gepasseerde nacht de vreeselijke gevol- gen van het bombardement zich zeer hebben doen gevoelen" - een groot deel der huizen was totaal vernield  - ” en dat die rampen slechts drukken op de schouders van de inwoners, zoo wil ik, in het belang der inwoners, toestaan dat u mijnheer de maire vergezeld van uw secretaris, met den parlementair gaat spreken. Doe den parlementair gevoelen dat het garnizoen niets van het bombardement te lijden heeft, dat het alleen de inwoners zijn, die het slachtoffer er van worden en dat de verbrijzeling der huizen en het leven eener jonge dochter heden nacht de blijken daarvan gegeven hebben. Zie, mijnheer de maire, of gij door uwen invloed bij uwe landgenooten zooveel verkrijgen kunt, dat de ijselijke rampen van het bombardement de inwoners niet verder verpletteren. Gij zult hem dit en niets anders zeggen. De kolonels Daulle en Falba, alsmede de adjt- major van 't 4e regt. etrangers, die hollandsch verstaat, zullen ulieden vergezellen" 1). Met deze opdracht vertrokken genoemde heeren naar de plaats, waar voorheen de herberg de Roskam gestaan had, over de brug die naar de Karnemelksloot leidt, waar zij twee officieren en een trompetter ontmoetten. Na wederzijdsche begroeting voldeden de maire en de secretaris tegenover kolonel Verveer ( een der parlementairs), die eene sommatie kwam overbrengen, aan de hun gegeven opdracht. Nadat Verveer verklaard had, in den hem geschetsten toestand geene verandering te kunnen brengen, beproefde de maire nog in het belang
1) Uit het dagboek van den maire, aanwezig in het gemeente-archief te Naarden.

 476 NAARDEN.
zijner gemeentenaren eenige dagen opschorting van de vijandelijkheden te verkrijgen,. om den inwoners, die vertrekken wilden, daartoe de gelegenheid te verschaffen. - Mijnheer," was het daartoe de gelegenheid te verschaffen. -  ”Mijnheer," was het antwoord, - reeds lang is er een stellige order, niemand meer uit de vesting te laten doorgaan, ja, men moet dezelve met het kanon en de bajonet weder onder de vesting jagen." Er werd verder nog beraadslaagd over het uitwisselen van gevangenen (in Naarden 7), doch Verveer had omtrent dit punt geene instructien ontvangen. Hiermede eindigde de samenkomst. Aan den generaal Quetard werd verslag van het voorgevallene gedaan.
Den volgenden morgen omstreeks 12 uur verschenen dezelfde parlementairs wederom voor de Amsterdamsche poort ; dezelfde heeren als den vorigen dag werden gezonden om verder te beraadslagen. Deze samenkomst leidde echter evenmin tot een resultaat ; dienzelfden avond regende het wederom granaten en kogels in het arme Naarden. Den  8e  April te 12 uur stonden weder eenige parlementairs aan de Utrechtsche poort. Kolonel Falba ontving hen en vernam, dat binnen weinige dagen een Fransch officier in Naarden zou komen om den generaal den vrede aan te kondigen, waarbij verzocht werd om tot de aankomst van dien officier de vijandelijkheden te staken.
Den volgenden dag verscheen werkelijk een Fransch officier, in gezelschap van kolonel Verveer. Kolonel Falba, die hun tegemoet gezonden was, omhelsde zijn wapenbroeder, die de krijgsgevangen generaal Rostollant bleek te zijn. Deze bracht het bericht mede dat het binnen 14 dagen algemeene vrede zou zijn. Quetard vond hierin evenwel geene aanleiding tot nadere onderhandeling. Den  15e  en  16e April werden nogmaals parlementairs ontvangen ; ook wederom zonder resultaat. Zoo ook den 2e  en    4e Mei. Eindelijk den 5e  Mei begon het te dagen voor de arme bewoners van Naarden. Voor de laatste maal verscheen toen een trompetter voor de poort, die gehoor verzocht voor een parlementair, een Fransch hoofdofficier van de artillerie, genaamd Lude. Namens de nieuwe Fransche regeering bracht hij de order over om de vesting te ontruimen. De raad van defensie werd onmiddellijk bijeengeroepen om de door den parlementair

477 :  17 NOV. 1813-12 MEI 1814.
overgelegde stukken te onderzoeken. Daar deze echter niet geheel in orde waren, werd kolonel Falba met den parlementair door generaal Quetard naar Haarlem gezonden om zich te kunnen overtuigen van het doortrekken van de Franschen, die de vesting Den Helder reeds ontruimd hadden. Toen den 7e d.a.v. de trompetter van kolonel Falba Naarden binnenkwam met een brief voor den generaal en toen kort daarop, omstreeks half twee, Falba en de majoor Lude zelven verschenen, verkeerde Naarden's burgerij natuurlijk in gespannen verwachting, welke in uitbundige blijdschap oversloeg, toen de driekleurige Fransche vlag van den toren werd neergehaald en plaats maakte voor eene witte, en tegelijkertijd 21 schoten van batterij No. 1 werden losgebrand.

Ontruiming der vesting. Talleyrand had den 23e April te Parijs de conventie geteekend waarbij de vestingen, gelegen buiten het grondgebied van het oude Frankrijk, aan de Bondgenooten werden afgestaan. Deze overeenkomst diende als basis voor de verdere vredesonderhandelingen. Toen Quetard de la Porte dan ook van deze overeenkomst kennis kreeg en zich bovendien overtuigd had, dat Ver Huell Den Helder reeds had verlaten, was oak voor hem de tijd aangebroken om de vesting over te geven. Als gevolg van genoemde conventie zou de vesting Naarden ter beschikking gesteld worden van generaal Kraijenhoff en aan de bezetting worden toegestaan om met 3 stukken geschut, brandende lonten en slaande trom de vesting te verlaten en naar Frankrijk terug te keeren.
Den 8e Mei om 10.30 v.m. kwamen de door Kraijenhoff benoemde commissarissen, zijnde Ten Bosch, commissaris van oorlog, Valter, kapitein-ingenieur, en Michael, majoor der artillerie binnen Naarden om al het aanwezige in de vesting te inventariseeren. Op dien dag reeds gelastte de kapitein Kraaij aan zijne kust- kanonniers om de driekleurige kokarde te verwisselen voor een oranje. De geheele burgerij had zich eveneens met oranje getooid en eenige wakkere borsten waren bezig om de Hollandsche vlag van den toren te laten waaien. De kolonel Daulle belette den voortgang ervan en de strenge order werd gegeven, de Hollandsche vlag niet uit te steken, voordat de Hollandsche bezetting in Naarden binnengekomen zou zijn. Den volgenden  

 478 NAARDEN.
dag werden de kanonnen door de kustkanonniers naar het terreplein gebracht. Den
11e  Mei, 's avonds, kwamen 29 wagens met paarden binnen Naarden om de bagage van het Fransche garnizoen te transporteeren. Vele burgers trachtten, na het ophouden der vijandelijkheden, buiten de vesting te komen, (doch zij werden overal door de posten van de belegeraars tegengehouden, op last van generaal Kraijenhoff, die dezen maatregel genomen had, om desertie van de Fransche douanen te beletten. De zieken, veteranen, vrouwen en kinderen, die tot de bezetting behoord hadden, werden met vijf schepen overgebracht naar Antwerpen. Dit convooi, ter sterkte van 182 hoofden, vertrok reeds den  11Mei 's avonds onder bevel van den Hollandschen kapitein Meffert. De sterkte van het Fransche garnizoen, dat den 12e Mei Naarden uittrok, bedroeg 60 officieren, 940 onderofficieren en soldaten en 20 paarden. Aan den vesting-commandant van Muiden, majoor Kamps werd door Kraijenhoff opgedragen den 12en Mei 's morgens vroeg met 1 officier en 30 man in Naarden de wachten en posten der Franschen over te nemen en te bezetten.
De bezetting, met zich voerende 2 houwitsers en een kanon van 12 pond, trok den volgenden morgen to 7 uur v.m. met alle krijgseer de vesting uit en defileerde voor de Nederlandsche troepen, die op de Bussumsche heide waren opgesteld. Tot het doen van uitgeleide naar de grenzen waren Naar toegevoegd majoor Appel, kapitein Crans en de luitenants Van Beulingen en Swinners. Over Amersfoort, Kuilenburg, Heusden, Tilburg, Hoogstraten en Antwerpen zijn de Franschen naar Rijssel gemarcheerd.

Intusschen waren te 9 uur v.m. de Hollandsche troepen, met kolonel Van den Bosch aan het hoofd, de vesting binnengetrokken in de volgende orde : een detachement cavalerie, de vrijwillige scherpschutters, 2e en 3e bataljon infanterie van linie, le en 2e bataljon Amsterdamsche schutterij, 4e bataljon infanterie van linie 1), 3e en 4e bataijon Amsterdamsche schutterij, 13e ba-
1) Drie compagnieen van het 2e bataljon infanterie van linie uit Delft (majoor Rost van Tonningen) en het 4e bataljon infanterie van linie uit (majoor Rost van Tonningen) en het 4e bataljon infanterie van linie uit Leiden (luit.-kolonel Poolman) hadden eerst 18 April bevel ontvangen, om Leiden (luit.-kolonel Poolman) hadden eerst 18 April bevel ontvangen, om zich onverwijld onder de bevelen van gen. Kraijenhoff te stellen. zich onverwijld onder de bevelen van gen. Kraijenhoff te stellen.  

 479: 17 NOV. 1813-12 MEI 1814.
taljon infanterie van linie, 5e bataljon Amsterdamsche schutterij, eene afdeeling artillerie en een detachement cavalerie.
Toen deze troepen onder groot gejuich binnen Naarden waren gekomen, werden zij opgesteld aan weerszijden van de straten waarlangs generaal Kraijenhoff zijn intocht in de stad zou does.
Te 10 uur kwam de generaal, gesalueerd met vijf kanonschoten, aan de eerste barriere en reed Coen voorafgegaan door eene afdeeling cavalerie naar het stadhuis, alwaar hij door de stedelijke en andere autoriteiten ontvangen werd. Op dat oogenblik werd, onder het gedonder van 21 kanonschoten, de Nederlandsche vlag op den toren geheschen. Met dezelfde eerbewijzen deed denzelfden dag te 2 uur de gouverneur van Noord-Holland, staatsraad Van Tets van Goudriaan, zijne intrede binnen Naarden, om voor zoover het burgerlijk bestuur betrof, bezit te nemen van de stad in naam van den Souvereinen Vorst. Hiervan werd der burgerij van Naarden kond gedaan in eene proclamatie van den volgenden inhoud:

Landgenooten,
Alles veranderd, als in een oogenblik voor Ulieden van gedaante ; de overweldiger der wereld is niet meer ; of liever overleeft zijne schande en word het tegenbeeld der edelmoedige vorsten, die hem bestreeden, en aan Europa den vrede hebben teruggegeven, uwe gevaren, uw lijden, uwe angsten zijn ge- weeken, uwe verlossing is daar, gij deelt van dezen stond of in de zegeningen van het bestuur van Willem van Oranje, aan wien geheel de natie het souverein gezag opgedragen en even daardoor haar geluk en onafhankelijkheid bevestigd heeft. In zijnen naam neem ik heden plegtig bezit van uwe stad, verbreek ik uwe vorige kluisters en verklaar ik Uedl. tot bewoneren van het vrije en onafhankelijke Nederland. Het is geenzints het gezag der overheersching, geenzints de luijster van eenen vreemden dwingeland, welke ik onder U lieden ten Loon spreide. Ik heb de eer de vertegenwoordiger te zijn van een Prins, die in uw midden geboren en opgevoed, door rampen alleen verwijderd, door het nationaal gevoel dier zelfde rampen met meer algemeene toejuiching teruggeroepen, uwe vrijheid en volksbestaan hersteld heeft, uwe zeden, uwen welvaart, uwe eigendommon en bezit- tingen, de vrugten uwer nijverheid, uwe kinderen, uwen gods-

 480 NAARDEN. 17 Nov. 1813-12 MEI 1814.
dienst met an woord, alle die voorrechten van maatschappelijk geluk waarborgt welke deugdzame ingezetenen onder een wijze en door een goede grondwet verzekerde regeering smaaken kunnen. Vereenigt u dan bewoneren van Naarden met alle uwe landgenooten ; dankt den almagtigen voor uwe redding en voor de zegeningen die hij ulieden, te midden uwer ellende, heeft voorbereid ; en laat de vreugdekreet  - leeve Willem den Eersten, souverein vorst van ” Nederland," het teeken zijn, dat gij alien zonder onderseheid met alle braven des lands liulde en trouw zweert aan uw vorst en vaderland.
Gedaan te Naarden den 12e1 Mey 1814.
(was get.) VAN TETS VAN GOUDRIAAN.

Een week later, den 19e  Mei werd des voormiddags te 10 uur door alle godsdienstige gezindheden binnen Naarden een plechtige dankstond gehouden ” teneinde God Almagtig te danken voor de redding en voor de zegeningen die hij Naardens' inge- zetenen te midden hunner ellende heeft voorbereid en voor de verlossing der overheersching van den algemeenen dwingeland en het gelukkig terugkeeren onder het bewind van zijn Koninglijken Hoogheid Willem den Eersten, onzen geliefden Souverein" 1).
1) Uit de proclamatie van den burgemeester aan de inwoners van Naarden dd. '13 Mei '1814. dd. '13 Mei '1814.